Skip to content Skip to footer
Blogpost Keti Koti Tafel
AuthorDaimy ComijsShare

Musea bekennen kleur aan de Keti Koti Tafel

 Tekst: Daimy Comijs, fotografie: Paco Núñez

Het regent pijpenstelen en buiten is het al donker wanneer mensen één voor één de imposante Nicolaïkerk in hartje Utrecht binnen druppelen. Vanavond is het de start van de eerste reflectiesessie bij ‘Musea Bekennen Kleur’. Verschillende afgevaardigden van maar liefst dertien musea gaan elkaar op een andere manier leren kennen. Zij zullen een gesprek aangaan over inclusie terwijl er gedineerd zal worden aan een ‘Keti Koti Tafel’. 

Onder de grote gotische bogen van de kerk staat de intiem gedekte tafel al klaar. Deze is gesierd door Afro-Surinaamse printen en levendige kleuren.  “Oorspronkelijk is deze traditie te vinden bij het Joodse geloof”, begint tafeldame Mercedes Zandwijken. Vijftien jaar geleden woonde Mercedes voor het eerst een Sederavond bij van haar Joodse partner Machiel Keestra, tevens de tafelheer van deze avond. Het inspireerde haar om zelf een traditie te maken geïnspireerd op de Joodse Sedertafel, het Ramadanfestival, de dialoogtafels en het Kwanzaa-feest waarmee Afro-Amerikanen hun cultuur vieren. En zo kwam zij uit op de Keti Koti Tafel; een ritueel voor de herdenking van de Nederlandse slavernijgeschiedenis. Naast een avond van herdenking is het een avond voor reflectie. Iedereen neemt plaats aan de tafel onder het genot van een gemberbiertje. Museum professionals en een aantal experts uit de opgerichte expertisegroep van Musea Bekennen Kleur zitten tegenover elkaar aan de lange tafel (alle stoelen staan netjes op anderhalve meter uit elkaar). Ook wordt er bij het toewijzen van de plaatsen gekeken naar leeftijd, kleur en sekse. Dit alles zodat er diverse conversatieparen tegenover elkaar zitten. Tijdens de dialogen krijgt iedereen een Surinaams gerecht (heriheri) met vis, banaan, knol, groente en bakkeljauw. Dit is een maaltijd die in de slavernij periode in Suriname vaak door tot slaaf gemaakten werd bereid en gegeten op de plantages. 

Nadat de handen ontsmet zijn, begint het ritueel met het kauwen op een Kwasi bita, een Surinaams bitter houtsoort. Op deze manier proeft men de bitterheid van het slavernijverleden. Daarna vraagt Mercedes of de witte gasten de polsen van de zwarte gasten willen insmeren met kokosolie en andersom. De kokosolie staat symbool voor de verzorging van het lichaam. Door de kokosolie op de huid te smeren zullen de pijn en de vlekken uit het verleden als het ware worden weggewreven. Zorgvuldig brengen gesprekspartners de olie bij elkaar aan. Tijdens het insmeren wordt er gedacht aan de pijn die de gesprekspartner gevoeld kan hebben. Het schept al een band en maakt de sprong naar een openhartig gesprek minder groot. 

Want de grote vraag van vanavond is: ‘Kleur bekennen? Hoe doe jij dat?’ Een belangrijke vraag voor veel musea. Want ‘inclusie’ lijkt het toverwoord te zijn, maar hoe pas je dat in de praktijk toe? Veel musea zijn welwillend, maar lopen steeds tegen de lamp aan wat betreft diversiteit binnen de organisatie. Dit straalt weer uit naar buiten wanneer er tentoonstellingen worden georganiseerd over onderwerpen zoals het slavernijverleden. 

En precies daarom zijn deze gesprekken zo belangrijk, stelt socioloog en initiatiefnemer Aspha Bijnaar.  “Ik hoop dat alle deelnemers elkaar gaan vinden in het gesprek over inclusie zonder dat er een taboesfeer hangt”. Dit komt sterk naar voren in ‘de Kona Leti’, een openingsmonoloog, wanneer Aspha spreekt over haar eigen verleden. Veel ruimte om te praten over gevoelens was er tijdens haar opvoeding niet. Ze stelde zich daardoor ongenaakbaarder op en vond het lastig om emoties te tonen. Aspha stelt in haar monoloog dat we juist nu de tijd moeten nemen om elkaars zachte kant te ontdekken. 

De monoloog van Aspha sluit dan ook naadloos aan op de dialoogvragen die zijn opgesteld. De eerste vraag van de vanavond is: ‘Wat maakt jou bijzonder, anders en kwetsbaar? Gevolgd door de tweede vraag: ‘Deel een ervaring uit het verleden over een verhaal dat iemand vertelde, of een beeld dat je hebt gezien?’ En de laatste vraag: ‘Deel een recente ervaring waar je een interventie hebt gepleegd met als doel om iemand of een groep die buitengesloten werd in te sluiten.’ Geen vragen die je normaal gesproken aan onbekende stelt. Toch deinzen de tafelgasten niet terug en gaan ze open met elkaar in gesprek. 

Dit komt ook door de regels die aan de dialoogvoering verbonden zijn. Zo presenteert Mercedes telkens een vraag, waarna iedereen een minuut krijgt om over deze vraag na te denken. Vervolgens krijgt de eerste spreker drie minuten om de vraag te beantwoorden. De luisteraar krijgt weer een minuut om dit te verwerken en vervolgens een reactie te geven van twee minuten. Daarna wordt dit proces omgedraaid voor de tweede spreker. Op deze manier krijg je de mogelijkheid om verder te denken dan een eerste reactie en om de dialoog echt op je in te laten werken. Het is te merken dat sprekers het fijn vinden om in deze omgeving ervaringen en gevoelens te delen over vaak persoonlijke onderwerpen.

Ook procesbegeleider Domenica Giidu Bidei bewondert de openheid van de deelnemers. “Er is te zien dat er veel gretigheid is bij de deelnemende musea om meer over inclusie te leren.” Domenica denkt dat door Musea Bekennen Kleur de deelnemers handvaten toegereikt krijgen om diversiteit te brengen in de organisatie en een open en veilige werkcultuur te creëren. “Elk museum heeft een andere behoefte en structuur binnen de organisatie, één van de doelen is om te zorgen dat musea ook na de reflectiesessies bij elkaar gaan kijken en van elkaar kunnen leren.”

De avond wordt dan ook afgesloten met een kringgesprek om ideeën en ervaringen uit te wisselen. In de omvangrijke ruimte kijken Mercedes en Machiel de kring rond. “Wiens stem zou je kunnen gebruiken bij een project of tentoonstelling”, luidt de vraag. Bekende namen zoals die van Gloria Wekker vallen, maar opvallend genoeg wordt ook de ‘witte man’ genoemd. Er klinkt gelach in de kring, de stem van de witte man lijkt immers al oververtegenwoordigd in de cultuur sector. Maar misschien als er meer in gesprek wordt gegaan met ‘de witte man’, kan hij dingen vanuit een nieuw perspectief zien. Dit legt een diepere laag van het probleem bloot; het vinden van diverse stemmen als, grotendeels witte, organisatie. Ze zijn er genoeg, maar hoe kom je er mee in contact? Er wordt geopperd dat er buiten de traditionele kaders moeten worden gekeken. Zo kunnen bijvoorbeeld buurthuizen of rapgroepen benaderd worden. Ook kunnen eisen zoals ‘WO of HBO werk- en denkniveau’ op vacatures misschien losser worden opgevat. Daarnaast is het belangrijk om na te denken over het toepassen van een non-Europees perspectief in een tentoonstelling over bijvoorbeeld slavernij. 

Procesbegeleider Sheela Vyas kijkt terug op een indrukwekkende avond. “De Keti Koti Tafel bood een veilige sfeer voor mensen om op zichzelf te reflecteren. Mensen konden nu verder over hun eigen grenzen heen kijken en durfden anders te gaan denken over bepaalde perspectieven. Je wereld wordt groter omdat je de kans krijgt om met de steun van de groep anders naar dingen te kijken.” Coördinator van Musea Bekennen Kleur Aspha Bijnaar blikt ook tevreden terug. “Ik vond het best spannend hoe de Keti Koti Tafel zou vallen. Veel deelnemers ook, omdat ze niet wisten wat te verwachten. Gelukkig hoor ik dat ze met goed gemoed de komende zes sessies de diepte in willen gaan.”Kleur bekennen is immers niet gemakkelijk, maar deze avond was zeker een grote eerste stap.